Overslaan en naar de inhoud gaan
45003

Spelevaren in Het Grootslag

Sinds de 17e eeuw is het zeilen met schuiten en tentjachtjes in de polder Het Grootslag heel populair. Vooral de Oude Gouw was geliefd, op het brede water had je meer ruimte om te manoeuvreren. Tot aan de verkaveling van 1974 was de gehele polder bevaarbaar en elk dorp of stad had via het water verbinding met elkaar. In Enkhuizen was het varen en zeilen met schuitjes of tentjachtjes (vaak met glazen opbouw) vooral op zondagmiddag, feestdagen, Broekermarkt in Grootebroek en op dagen dat er niet werd gewerkt een leuk uitje Op twee schilderijen van Het Grootslag zie je hoe er werd geroeid, geboomd, gevist en gejaagd. De heren, meestal met een hoge hoed, zaten in hun vaartuigen, de dames keken vanaf de walkant toe. 

Blaasmuziek
In het veld werd er in de zomer en op zondagavonden blaasmuziek gemaakt. Muzikanten zaten in een bootje en daaromheen lagen jachtjes die vaak tot laat in de nacht onder genot van brood, wijn en fruit feesten. Op de schilderijen van Het Grootslag werd er geen muziek gemaakt, maar er bestaan wel liedboekjes en prenten met illustraties voor musicerende rondvarende personen. De kerk in Enkhuizen was tegenstander van het gebruik daarvan. In de 17e en 18e eeuw werden er volgens geschriften regelmatig zeilwedstrijden op de Oude Gouw gehouden. De prijs bestond uit een vlag die werd geschonken door een herbergier. Er werden ook roeiwedstrijden georganiseerd waarbij de roeiers een blinddoek om hadden, tot groot vermaak van de toeschouwers. 

Inpoldering
Tot halverwege de 19e eeuw werden er door rijke families in Enkhuizen langs de grachten koepels, plezierveldschuiten en schuitenhuizen gebouwd. Na de inpoldering van een deel van de Oude Gouw (Weeshuispolder) in 1872 was er minder ruimte om te spelevaren. Ook de kosten van onderhoud van pleziervaartuigen en schuitenhuizen maakten dat er minder gevaren werd. Het aantal bedrijven waar je een schuitje kon huren nam af. De koepels werden gesloopt of verkocht als woningen en de schuitenhuizen werden verkocht aan “bouwers” (tuinders). Bouwers en boeren hadden in die tijd een eigen schuit waarmee ze in hun vrije tijd zeilend of kloetend “om de landen” of met bekenden de polder ingingen. Nu hebben veel inwoners van Enkhuizen en omstreken allerlei soorten vaartuigen, meestal met een motor. Gedurende de zomerperiode is er veel drukte in de polder. Het is alleen jammer dat een groot deel niet kan worden bevaren vanwege het verschil in waterpeilen en een gebrek aan sluisjes die zijn ontstaan na de verkaveling.

45002

Sprookjesachtig Enkhuizen

Door de Engelse oorlog (1780-1784) en de Franse bezetting onder Napoleon, nam de armoede in Enkhuizen schrikbarend toe: scheepvaart, visserij en handel lagen nagenoeg stil.

De armoede was zo groot dat het stadsbestuur ten einde raad was. Bijna iedereen was werkloos en ondervoed. Enkel Hiltje Willems verdiende goed, zij moest het onkruid tussen de straatstenen wieden. De leegloop van de stad, in 1812 van ongeveer 7000 naar 5000 inwoners, betekende dat veel woningen leeg stonden en werden afgebroken om het puin te verkopen. Vaak moest je de gevel laten staan om de stad nog leefbaar te laten lijken. Een reiziger merkte op dat er meer schuttingen dan huizen waren. Er was geen geld voor straatverlichting, de mensen moesten een kaars voor hun raam plaatsen, ’s nachts gebeurden er namelijk veel ongelukken. De bevolking dumpte het puin van hun afgebroken huizen op straat

Desolate indruk
Ook Jacob van Lennep die in 1823 een voetreis door Nederland maakt en daarbij ook in Enkhuizen komt, heeft niet veel goeds over de stad te melden, alleen het stadhuis vindt hij mooi. Kortom de stad maakte een desolate indruk. Deze situatie veranderde gedurende tientallen jaren nauwelijks. 

Flinke reis
Het is dus geen wonder dat er weinig ‘toeristen’ naar Enkhuizen kwamen. De reis erheen was een bezoeking. Vanuit Amsterdam moest je binnendoor naar Purmerend met de boot, dan met de diligence naar Hoorn en dan met een wagen naar Enkhuizen. Maar in juli 1873 kwamen er dan toch buitenlanders, Fransen nog wel. Op die dag werd er voor het eerst een harddraverij gehouden, de stemming in de stad zal door de biertjes wel uitbundig zijn geweest. Hun boot was getooid met een Franse vlag, die wekte boosheid op in de haven; men was Napoleon nog niet vergeten. De bezoekers, waaronder de beroemde Franse letterkundige Henri Havard, werden met boegeroep, stenen, flessen en stokken verwelkomd. Ook werden ze uitgemaakt voor rovers en spionnen. De kapitein werd gedwongen de Franse vlag te verwijderen.

Aangenaam getroffen
Havard maakte een “Voya-ge aux villes mortes du Zuiderzée” (Een reis langs de dode steden rond de Zuiderzee). In zijn boek: “La Hollande Pittoresque” schrijft hij dat hij aangenaam getroffen wordt door het schilderachtige verval; de sprookjesachtige sfeer doet hem mijmeren over vergane glorie. Het boek brengt een ware hausse teweeg; de dode stadjes, met hun hun stille, romantische schoonheid, trekken opeens veel bezoekers. Waaronder in 1883 de Portugese journalist Ramalho Ortigo, hij vindt Enkhuizen een archeologisch museum. De toeristen blijven komen, vooral na de aanleg van de spoorlijn naar Enkhuizen. Gelukkig heeft het stadsbestuur op tijd ingezien dat het loont om het erfgoed van Enkhuizen te bewaken en dat de toeristen nu niet meer voor vervallen schoonheid komen.

45005

‘Steen als kroon op werk in Oude Gouw’

Zo begint het krantenartikel in de Enkhuizer Courant van 16 juni 1971. Over welke steen gaat dit? 

Deze steen hoort bij de 21 nieuwbouwhuizen van een ‘Leerlingenbouwplaats’ aan de Abelenstraat en Prunuslaan in Oude Gouw. De firma Weel uit Grootebroek bouwt deze in opdracht voor de ‘Stichting Verbetering Volkshuisvesting’. De toekomstige bouwvakkers komen van de technische scholen uit Alkmaar, Enkhuizen en Grootebroek. Ze kunnen een jaar lang leren en wat verdienen op de bouwplaats. Timmeren en metselen onder toeziend oog van Rinus van Oudenaarde en Jaap Bleeker. De opzichter is Klaas Holwerda. Timmerwerk wordt voorbereid in de werkplaats van firma Weel. 

De bouw start op 13 augustus 1970. Al binnen vier weken zijn tien woningen klaar tot steigerhoogte en eind januari zijn deze onder kap. Een maand later is men al een heel eind opgeschoten met het binnen timmerwerk. De andere elf woningen zijn half september klaar tot peilhoogte en begin maart 1971 is het metselwerk van de benedenverdieping klaar. Er wordt hard gewerkt om ondertussen de schuurtjes te bouwen en alles wat nodig is om hier plezierig te kunnen wonen. Nieuw is dat men in de huizen in heel Oude Gouw centrale verwarming aanlegt. In Plan Noord en de stad hebben veel mensen nog een of meerdere gaskachels om warm te blijven. 

De jongens komen uit Enkhuizen, Grootebroek, Lutjebroek, Bovenkarspel, Andijk, Venhuizen, Hem, Zwaagdijk, Wervershoof, Blokker, Spierdijk, Ursem en Heerhugowaard. Er wordt vol trots geschreven over de 21 jeugdige bouwers, die samen met hun ouders en genodigden zien hoe de herinneringssteen in de muur geplaatst wordt door Ir. Van Abeelen. Het gemetselde kunstwerk is gemaakt door een van de leerling metselaars, Charles Pijcke uit Bovenkarspel. 

Deze bouwplaatsen hopen ze op meerdere plaatsen te realiseren en zo aannemingsbedrijven enthousiast te maken voor o.a. toekomstige timmerlieden en metselaars. Men ziet het aantal leerlingen voor de opleiding bouwkunde met elf procent dalen tussen 1965 en 1970. Dit heeft waarschijnlijk te maken, met de verandering binnen het voortgezet onderwijs door de Mammoetwet in 1968. 

De laatste 55 jaar is het aantal nog meer afgenomen. Mede doordat de scholen voor technisch onderwijs (LTS) worden opgeheven en er minder kinderen geboren worden. Hierdoor kampen we nu met een tekort aan goed opgeleide vakmensen. Gelukkig werden veel van deze leerlingen, tijdens hun werkzame leven, goede leermeesters voor jonge mensen die in de bouw gingen werken.

44987

Kareek, Mosselstein, Perzie (1750 – 1766)

Door de oorlog tussen Iran, Israël en de Verenigde Staten komt het eiland Kharg regelmatig in het nieuws. Het is gelegen in het noorden van de Perzische Golf nabij Basra. Dit eiland is van het grootste belang voor de olie-export. De kust van Iran ligt aan ondiep water waar geen grote olietankers kunnen afmeren, dit kan wel bij het eiland Kharg. Daarom lopen er olieleidingen vanaf het vasteland naar dit eiland om de olie met supertankers via de straat van Hormuz naar de rest van de wereld te vervoeren. 
Ongeveer 90% van de Iraanse olie wordt op deze manier geëxporteerd. 

Maar wat heeft Kharg met Enkhuizen te maken? In 1749 was baron Tide Von Inn Knyphausen werkzaam als handelsagent voor de VOC in Basra (Perzië, nu Irak). Hij kreeg daar een conflict met de lokale autoriteiten: hij zou een onbetrouwbare opschepper zijn. De baron werd gevangengenomen en na betaling van een losgeld weer vrijgelaten. De handel van de VOC in Perzië kwam tot stilstand en was niet meer rendabel. Von Knyphausen wilde de handel herstellen en veroverde het eiland Kareek (nu Kharg ) voor de VOC. Dit alles met medeweten en goedkeuring van de Gouverneur-generaal der VOC: Jacob Mossel. Mossel was geboren in Enkhuizen op 28 november 1704 als zoon van Pieter Jacobszn Mossel en Geertruyde Leydecker. Hij vertrok op 15-jarige leeftijd als lichtmatroos op het fluitschip de Haringthuyn naar Indië en maakte al snel carrière binnen de VOC. 

Door de verovering van het eiland Kareek kreeg de VOC volledige controle over de handel in een groot gebied. Die handel betrof vooral Javaanse suiker en Indiaas textiel. Om zich tegen ”Moorsche inhaaligheid” te beschermen werden er in 1750 op Kareek, ter bescherming van de handel, een fort en kantoor gebouwd. Von Knyphausen, die het eiland bestuurde als een vorst, noemde het fort “Mosselstein” als een direct eerbetoon aan Gouverneur-generaal Jacob Mossel. Hij verzekerde daarmee, hoopte hij, de gunst en steun van zijn hoogste baas in Batavia om zich in te dekken voor zijn eigenzinnige optreden in de Perzische Golf. Het fort was een groot en stevig bouwwerk waarvan de resten nu nog aanwezig zijn. Echter al snel bleek dat de post op Kareek niet winstgevend was, mede door de hoge kosten van de bouw en de bezetting van fort Mosselstein. Kareek werd al voor 1766 ontruimd en daarna geplunderd door een Perzische legermacht. Dit was 6 jaar na de dood van Jacob Mossel in 1760.

44967

Naakt op zolder

In 1976 werd het pand op de hoek van de Westerstraat en de Van Bleiswijkstraat (nu De Eendracht in Van Bleiswijk) door het Groene Kruis van de gemeente gekocht. Bouwbedrijf Ramkema en Dangermond nam de verbouwing en restauratie van het rijksmonument op zich. Tijdens de bouw stonden er containers met afval. Uit één van die containers nam de heer Ramkema een paar rollen mee die zijn aandacht hadden getrokken. Hij gaf ze aan de Vereniging Oud Enkhuizen, daar raakten ze in vergetelheid. Tot we in de winter van 2022 eindelijk eraan toe kwamen de rollen die op de vliering lagen te bekijken. 

We waren stomverbaasd dat de gekreukte rollen vijf enorme schilderingen (1.50- bij 1.00 meter) van naakte mannen bleken te zijn. Ze waren gesigneerd met P. Egmond ’86. Na speurwerk bleek P. Egmond de kunstschilder Pieter Egmond te zijn (1862-1908). Maar hoe waren ze in ons bezit gekomen? Na nog meer speurwerk bleek dat Egmond een opleiding aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus had gevolgd en dat hij daarna tussen 1885 en 1889 in Brussel studeerde aan de prestigieuze Koninklijke Academie voor de Schone Kunsten. Een van de eisen die de academie stelde was dat de studenten in staat waren naaktmodellen zo realistisch mogelijk te schilderen, vandaar de naakten. 

Na de academie ontwikkelt hij zich tot een vooraanstaand kunstschilder. Zo krijgt hij de opdracht de plafonds in het Snouck van Loosenhuis te beschilderen. Maar nog steeds wisten we niet waar de mannen tussen zijn dood in 1908 en tussen onze ontdekking waren gebleven. We hebben een oproep op onze website gedaan, compleet met foto’s, of iemand de schilderingen kende, maar daar kwam geen reactie op. 

Voorjaar 2023 besloten we de schilderingen te conserveren. Eerst moesten we ze plat zien te krijgen, wat met een beetje vocht en zware tegels lukte. Daarna moest de verf op de beschadigde plekken worden vastgezet. Dit klinkt eenvoudig, maar het kostte per doek wel een maand of vier. Het volgende probleem was: hoe bergen we ze op? Oprollen was uit den boze. Tot we op het idee kwamen grote platte fietsendozen te gebruiken. Daar liggen de mannen nu, tussen zuurbestendig vloeipapier, weer op de vliering. 

Maar nog steeds wisten we hun herkomst niet. Tot we enkele maanden geleden een lijst met donaties aan Oud Enkhuizen vonden: de rollen waren in 2006 aan ons geschonken door de heer J. Ramkema. De vooraanstaande familie Egmond heeft het pand van de laatste Van Bleiswijk gekocht. Maria Anholt-Egmond woonde daar tot in de jaren 70. Zij heeft de schilderingen al die tijd in haar bezit gehad, maar na haar overlijden en de dood van de heer Ramkema wist niemand de herkomst meer.